BBK Magazine 3 2015

BBK Magazine 3_2015

Toekomst van de tekenkunst

Hedy Hempe in gesprek met Arno Kramer over het belang van vakmanschap, het gebrek aan aandacht hiervoor op de de Nederlandse kunstacademies en de – voorzichtige – terugkeer van de tekenkunst in een digitaal tijdperk.

Arno Kramer vindt het maar raar dat hij gevraagd wordt tentoonstellingen over tekenkunst te organiseren en openen zonder dat hij daarvoor heeft gestudeerd. Natuurlijk heeft  de beeldend kunstenaar en docent de nodige kennis op dit gebied, maar hij wil hiermee zeggen dat de tekenkunst in Nederland enorm ondergewaardeerd is.

“Ik voel me de spreekwoordelijke eenogige koning in het land der blinden en dat vind ik een kwalijke zaak. Tekenen lijkt tegenwoordig een hype, maar dat is schijn. Musea lokken bezoekers met allerlei tekenworkshops, maar op de kunstacademie wordt nauwelijks getekend.” Arno Kramer grijpt elke gelegenheid aan om de tekenkunst terug binnen de muren van de kunstacademie te krijgen. Een missie die allesbehalve eenvoudig is. “Tweehonderd jaar geleden was de ‘Teeken-Akademie’ een volwaardig instituut, tegenwoordig  worden studenten niet eens gestimuleerd om te gaan tekenen.” Voor hem reden om in 2008 Drawing Centre Diepenheim van de grond te tillen. In 2010 bracht hij, samen met Diana Wind, de Nederlandse tekenkunst vanaf 1960 succesvol onder de aandacht door de tentoonstelling All About Drawing. Werken van honderd bekende en onbekende Nederlandse tekenkunstenaars waren te zien in het Stedelijk Museum Schiedam. De catalogus was snel uitverkocht maar is weer verkrijgbaar dankzij een tweede druk.

Arno Kramer 1 200 dpi_HMMH 2015In tegenstelling tot ruim twee eeuwen geleden toen het tekenen tot kunst werd verheven krijgen studenten vandaag de dag nauwelijks nog professionele tekenles. Arno Kramer refereert in het Dertiende Tekeningencahier van Drawing Centre Diepenheim aan een boek uit 1767 met een lofdicht ‘Triomf der Teekenkunst’. De ode is bestemd voor de burgemeester van Amsterdam met het doel een ‘Teeken-Akademie’ op te richten. In de zeventiende en achttiende eeuw worden in Nederland diverse tekenscholen en –academies opgericht. De oudste is de Haagsche Teeken-Academie die al in 1682 is ontstaan. Daar wordt ’s avonds getekend en op zaterdag sociëteit gehouden en over kunst gesproken.  In eerste instantie zijn tekenopleidingen bestemd voor zowel jonge ambachtslieden als toekomstige architecten, maar gaandeweg melden zich ook leerlingen met kunstzinnige ambities. Tenslotte groeien de tekenscholen uit tot kunstacademies, kunstopleidingen die volgens Arno Kramer met tekenen weinig van doen hebben.

“Het tekenen is al jaren geleden naar de achtergrond gedrongen. Minerva in Groningen is altijd bekend geweest om gedegen tekenlessen, maar tekenen is nu een keuzevak en niet meer verplicht. Je kunt aan geen enkele academie in tekenen afstuderen.” Dat is volgens Arno Kramer de reden dat Drawing Centre Diepenheim voor elke masterclass veertig tot vijftig aanmeldingen krijgt. “Tijdens mijn docentschap aan de AKI in Enschede heb ik twintig jaar zitten stoken. De afdeling schilderen heette officieel ‘schilderen, tekenen & grafiek’, maar niemand maakte zich druk om het tekenen. Het werd links en rechts ondergebracht bij beeldhouwen, schilderen en mixed media. Uiteindelijk ben ik intern workshops tekenen gaan organiseren en dat liep als een trein.” De masterclasses van Drawing Centre Diepenheim omvatten enige dagen en de deelnemers zijn altijd enthousiast. “Naast tekenles hebben kunstenaars behoefte om over hun werk te praten. Meestal krijg je ze de deur niet meer uit!”

Tekenen is vooral doen. “Pathetisch gezien is tekenen het meest directe middel om iets kunstzinnig te zeggen. Tekenen is vaak ook heel ruimtelijk. Zoals de schetsen van beeldhouwers, ze denken ruimtelijk, in tegenstelling tot schilders die meer bezig zijn het aanbrengen van een beeld op het platte vlak.” Arno Kramer is van mening dat tekenen in traditionele zin een vaardigheid is. “Zonder die basis kan je je verhaal niet helder vertellen, je gevoel niet tot uitdrukking brengen. Het beheersen van techniek en kennis van materiaal vergroot de mogelijkheden. Het wil niet zeggen dat de definitie van tekenkunst zich beperkt tot papier en potlood. Tekenkunst is werk op of met papier, dus ook aquarel. Kunstenaars gaan binnen deze kunstvorm ook steeds meer grenzen opzoeken. Je ziet de laatste tijd bijvoorbeeld meer installaties waarin tekeningen en papier worden gebruikt. Maar behalve het verhaal gaat het uiteindelijk om de oorspronkelijkheid van het werk en dat komt uit de kunstenaar zelf.”

Arno Kramer 4a 200 dpi_HMMH 2015Het digitale tijdperk heeft de tekenles naar de achtergrond gedrongen. Waarom nog tekenen als je alles kunt fotograferen, bewerken en uitprinten? Maar hoe is het gesteld met de toekomst van de tekenkunst? “Gelukkig zie ik studenten die zich niets van deze tendens hebben aangetrokken en gewoon vier jaar lang hebben getekend. Op de eindexamententoonstelling van de academie in Den Haag zag ik het werk van Romy Muijrers. Volwassen werk en een eigen beeldtaal.” Kramer heeft mede door zijn gastdocentschap contact met diverse kunstacademies. Zijn pogingen de tekenkunst weer terug te krijgen in het curriculum van de kunstopleiding beginnen vruchten af te werpen. “ De laatste tijd gebeurt er wat, zoals onlangs een Tekeningenweek op de AKI in Enschede en de Jan van Eijk Academie in Maastricht geeft binnenkort een masterclass tekenen. In België zijn ze al verder. Aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent kan je in tekenen afstuderen. Een masters in tekenen doen, daar moeten we in Nederland ook naar toe.”

In time

Schemering_Hedy Hempe 2015

Bewegen hoort bij de mens. De mens is onderweg, om te overleven, uit nieuwsgierigheid. De mens gaat op zoek naar voedsel maar wil ook weten hoe het uitzicht op de berg is. Sport heeft van bewegen een wetenschap gemaakt. We weten inmiddels hoe ons lichaam functioneert, maar wat ons voorwaarts drijft is een mysterie. Beweging geeft ons vrijheid, verruimt onze horizon. Dat werkt niet alleen fysiek maar is ook geestverruimend. Het geeft mogelijkheden, biedt perspectief.

De vraag is niet wat is de zin van het bestaan, maar hoe ben ik? Of, hoe bereik ik eeuwigheid of schoonheid? Hoe word ik tijdloos? Hoe word ik gelukkig?

Het antwoord op deze vraag is: bewegen in rust, als een zuil over de tijdslijn. Niet te langzaam, niet te snel, maar precies in time. Na dit besef moest ik leren time-managen want ik wilde altijd te snel. Door in time te zijn heb ik niet alleen meer tijd maar ook meer ruimte waardoor ik overzicht heb. En als ik overzicht heb, kan ik beter bepalen waar ik heen wil. Ik ben ook minder gevoelig voor afleiding. In time zijn heeft me wel een voorwaarde gesteld: afstand nemen van jezelf. Om alles te laten zijn wat het is, moet het op zichzelf staan. Waarnemen zonder te oordelen. Een belangrijk omslagpunt omdat ik vanaf dat punt in staat ben dingen constructief te veranderen. Het ik-zijn doet er niet meer toe, maar wel hetgeen ik doe. Eerst zat ik gevangen in mezelf, nu ben ik een zelfstandig, universeel mens in de ruimte geworden.

De volgende fase is de leerschool van de vloeiende beweging.  Alleen als ik beweeg, ben ik in staat om stil te staan. Stilstaan is iets anders dan onbeweeglijk, verstijfd, verstard of vastgeroest zijn. Met vloeiende beweging bedoel ik het energieke effect dat ik uitoefen op mijn omgeving als ik beweeg of stilsta. Zoals de druppel die op het wateroppervlak een rimpeling veroorzaakt. Alles en iedereen heeft een energieveld en staat daardoor met elkaar in verbinding. Daarom is het belangrijk om vloeiende bewegingen te maken zodat de omgeving tijd heeft om op mij op natuurlijke wijze te reageren.

Snelheid is relatief en heeft niets te maken met in time zijn. Je kunt dus heel snel zijn zonder dat je gehaast bent en je kunt heel langzaam zijn zonder dat je te laat komt. Het ligt er maar net aan waar je wilt zijn. Een seconde kan een eeuwigheid duren en eeuwigheid een seconde.

Hedy Hempe – 2014